Knopig helmkruid (Scrophularia nodosa) is een plant uit de helmkruidfamilie (Scrophulariaceae). Het is een tamelijk hoge, bijna onbehaarde plant die voorkomt op vochtige, voedselrijke plaatsen, zoals boszomen, kapvlakten en bermen. De bloemen zijn roodbruin en lokken wespen. De kroonbuis is groengeel, bolvormig en heeft vijf stompe lippen waarvan de twee bovenste iets langer zijn dan de rest. De kelk is vijftandig.

Knoppig Helmkruid

Er is sprake van een smalle bloeiwijze van bijschermen, die bloeien van juni tot september.

De stengel is vierkantig. De bladeren zijn eirond tot langwerpig-eirond, ze hebben een hart- of wigvormige voet en zijn 6-13 cm lang. De bladranden zijn gezaagd. Soms heeft de gehele plant een donkerbruinrode kleur.

Knoppig Helmkruid3

Knopig helmkruid heeft een eivormige doosvrucht.

Knoppig Helmkruid2

Het knopig helmkruid is waardplant voor Eupithecia satyrata, Perizoma didymatum, Shargacucullia gozmanyi, Shargacucullia prenanthis, Shargacucullia scrophulariae , Shargacucullia scrophulariphila, Cionus scrophulariae, Cionus tuberculosus en de bladwesp Tenthredo scrophulariae.

Bron: Wikipedia

De Canadese guldenroede (Solidago canadensis) is een guldenroede, een geslacht uit de composietenfamilie. De plant komt oorspronkelijk niet voor in Europa en is als sierplant ingevoerd. Deze exoot gedijt echter goed en verwilderde planten hebben inmiddels een vaste plaats in de Europese flora verworven; ze komt massaal voor op braakliggende grond, industrieterreinen, stortplaatsen en langs bosranden en oevers.

Het is een van de eerste planten die braakliggende of verbrande terreinen bevolken, waar deze vaste plant mede dankzij de lange wortelstokken goed water kan vinden en zich met behulp van ondergrondse uitlopers flink uit kan breiden, waarbij andere soorten verdrongen worden. Ook worden via de wortels chemicaliën afgescheiden die het groeien van andere planten tegenwerken (onder andere esdoorns). Door sommigen wordt deze plant, net als de vergelijkbare late guldenroede (Solidago gigantea), dan ook als een invasieve soort gezien. Vanwege de late, nectarrijke bloei die gunstig is voor insecten die plaagdieren bestrijden, wordt de plant echter ook bewust ingezet in mengculturen.

Canadese Guldenroede

De plant kan tot ruim 2 meter hoog worden met vaak naar één zijde gekeerde bloempluimen. De lancetvormige, parallelnervige bladeren zijn aan de toppen licht getand. De randen van de bladeren en de nerven aan de onderkant van het blad alsmede de hogere delen van de stengels zijn donzig behaard, waarmee de plant zich onderscheidt van de kale late guldenroede.

Canadese Guldenroede2

De Canadese guldenroede bloeit van juli tot in de herfst (in sommige gebieden tot oktober) met nectarrijke gele bloempjes waarmee het laat in het jaar nog een populaire voedselplant is voor veel vliegen, bijen, hommels, wespen en andere insecten. De bloemhoofdjes hebben een honingraatstructuur en bestaan uit lint- en buisbloemen, waarbij de lintbloemen niet langer zijn dan de buisbloemen en niet buiten de bloem uitsteken. De pappus bestaat uit een rij haarachtige borstels. Het omwindsel is 2–3 mm lang.

Bron Wikipedia

De blaassilene (Silene vulgaris) is een plant uit de anjerfamilie (Caryophyllaceae). Het is een in België en Nederland vrij algemeen voorkomende plant. De plant wordt 30-60 cm hoog. De verticale stengels zijn onbehaard en komen op uit een gebogen, diep in de grond vertakte wortelstok. Op de knopen van de stengels zitten smalle, tegenoverstaande bladeren.

Blaassilene

De aan elke stengel hangende bloemen zijn dag en nacht geopend. 's Avonds verspreiden de bloemen een aangename klavergeur, en trekken dan bijen en nachtvlinders aan. De bloeiperiode loopt van mei tot september. De vijf witte kroonbladen zijn diep ingesneden. De kelkbuis is sterk opgeblazen en gelig tot paarsachtig geaderd. Aan deze kelkbuis dankt de plant haar naam. De bloemen zijn vaak tweeslachtig, waarbij zelfbestuiving niet optreedt doordat de mannelijke en vrouwelijke bloemen niet gelijktijdig rijp zijn.

Blaassilene2

De plant wordt aangetroffen op matig voedselrijke, iets droge zand-, klei- en leemgrond, in bermen en tegen hellingen, in de duinen en op grazige grond. De plant prefereert een zonnige standplaats. De nectar bevindt zich aan de basis van de kelk, zodat insecten zich ver in de buis moeten wringen om de nectar te bereiken. Dit zou bestuiving verzekeren, ware het niet dat hommels geleerd hebben deze lastige weg te omzeilen door aan de basis een gat te bijten.

Bladen en jonge scheuten zijn eetbaar. In sommige streken werden de bladen vroeger in salades verwerkt. De bladen moeten dan wel voor de bloei geplukt worden. Ze zijn na vijf tot tien minuten koken ook geschikt voor gebruik in soep. De blaassilene is vroeger ook als geneesmiddel gebruikt. Buiten Nederland treft men de Blaassilene ook wel in hooilanden aan, ze zou de melkproductie van koeien bevorderen.

Bron: Wikipedia

De brede Lathyrus (Lathyrus latifolius) is een vaste klimplant met breedgevleugelde, 0,6-3 m lange stengels die over de grond kruipen of klimmen als ze een steun hebben gevonden. De steunblaadjes zijn 3-6 cm lang, lancet- tot eirond of halfspiesvormig en meer dan half zo breed als de stengel. De bladeren hebben een gevleugelde bladsteel en bestaan uit twee lintvormige tot eironde of elliptisch-ronde, 4–15 cm lange, vijfnervige, blauwgroene blaadjes.

Breedbladige Lathyrus

De brede Lathyrus bloeit van mei tot augustus. De bloemen groeien met vijf tot vijftien stuks in trossen. De bloemkroon is karmijnrood en 2–3 cm lang. De kelktanden zijn ongelijk van lengte. De vruchten zijn 5-11 cm lange, gladde, bruine peulvruchten.

De brede Lathyrus komt voor in Midden- en Zuid-Europa tot in Noord-Frankrijk en het Middellandse Zeegebied. In België, Duitsland en Engeland is de soort ingeburgerd. Hij komt voor in graslanden, wegbermen en struikgewas.

Deze soort is ook als sierplant in cultuur. Hij kan temperaturen tot -25 °C weerstaan. Als snijbloem is hij niet geschikt, omdat de bloemen in een vaas te snel verwelken.

Bron: Wikipedia

Agrimonie (Agrimonia) is een geslacht van overblijvende, kruidachtige planten uit de rozenfamilie (Rosaceae).

De botanische naam Agrimonia is afgeleid van het Oudgriekse argemon dat "witte oogvlek" betekent. Men meende vroeger dat de plant hielp tegen oogaandoeningen.

Agrimonia

Het geslacht kent twaalf tot vijftien soorten. Ze komen van nature voor in de gematigde streken van het noordelijk halfrond, waarbij één soort in Afrika voorkomt. Ze worden 50-200 cm hoog, met geveerde bladeren en gele bloemen aan een meestal onvertakte, aarvormige bloeiwijze. De bloemen openen zich hierin van onderen naar boven. De bloemen hebben een ruim aanbod van stuifmeel. Bestuiving vindt plaats door vliegen, zweefvliegen en honingbijen. Omdat stampers en meeldraden gelijktijdig rijpen, komt ook zelfbestuiving voor.

Uit de bloemen ontwikkelen zich kleine zaaddoosjes, die gemakkelijk in de vacht van passerende zoogdieren blijven haken.

Agrimonia-soorten worden als waardplant gebruikt door de rupsen van een aantal vlinders als de Coleophora potentillae, Pyrgus alveus, aardbeivlinder (Pyrgus malvae), Pyrus malvoides, Stigmella aeneofasciella en Stigmella splendidissimella.

Bron: Wikipedia