Gewoon Pronkmos, Pseudotaxiphyllum elegans, is op het Pleistoceen een algemene soort in bossen, vooral op de zandgronden. De soort komt vooral voor op steile kanten zoals langs walletjes en greppels. Ook onder beuken en op boomvoeten van oude beuken is de soort regelmatig te vinden. Gewoon pronkmos vormt zeer dicht op de ondergrond groeiende plakkaten.

Gewoon Pronkmos

De voor de soort karakteristieke bosjes dunne broedtakjes in de bladoksels zijn bij goed zoeken eigenlijk altijd wel aanwezig waardoor een goede determinatie vrijwel nooit problemen op hoeft te leveren.

Gewoon Pronkmos2

Het verspreidingskaartje suggereert een toename van Gewoon pronkmos. Het ouder worden van de bossen zou daarbij een verklaring kunnen zijn maar of er echt sprake is van een toename is moeilijk te zeggen. Zeer opvallend is het geringe voorkomen in de duinen. De soort is daar echter wel aan een opmars bezig, vooral in de ontkalkte binnenduinen. Er zijn tot op heden nog nooit kapsels van Pseudotaxiphyllum gevonden in Nederland.

Bron: Verspreidingsatlas Mossen

Het bosvergeet-mij-nietje (Myosotis sylvatica) is in Europa in tuinen een veel voorkomende plant met blauwe bloemen uit de ruwbladigenfamilie (Boraginaceae). In tuinen komen ook vormen voor met witte en rozerode bloemen. Ook zijn er gekweekte cultivars met meer dan vijf kroonslippen en met min of meer gevulde bloemen. Deze verwilderen vaak.

Bosvergeet me nietje

In Nederland komen alleen in Zuid-Limburg op bosrijke heuvels echt wilde bosvergeet-mij-nietjes voor. Het bosvergeet-mij-nietje is tweejarig (soms meerjarig) en vraagt een losse, humusrijke grond op een zonnige plaats. De plant wordt ongeveer 15-20 cm hoog.

Bosvergeet me nietje2

De bloeitijd is van april tot augustus. De bloemen zijn klein en variëren in grootte van 5-8 mm. De bloemkroon is vlak.
Na de zaadvorming sterft de plant af. Hij zaait zich echter zeer gemakkelijk uit en kan dan overal in de tuin weer opkomen. In een gram zaad zitten ongeveer 1200 zaden.

Het Bosvergeet-mij-nietje lijkt sterk op het Akkervergeet-mij-nietje (Myosotis arvensis). Het Bosvergeet-mij-nietje is een kensoort voor de klasse van de eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond.

Bron: Wikipedia

Het Robertskruid (Geranium robertianum), vroeger ook wel stinkende ooievaarsbek genoemd, is een plant uit de ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae). Het is een een- of tweejarige, tot 50 cm hoge plant. De naam Robertskruid zou of afgeleid zijn van de kleur rood of van Robert van Molesme die in de elfde eeuw dit kruid als geneesmiddel aanbeval.

Robbertskruid

De tot 6,5 cm grote bladeren zijn driehoekig, en een of tweemaal geveerd. De drie- tot vijftallige bladeren geven een goed middel om het robertskruid van andere Geranium-soorten te onderscheiden. Op droge ondergrond kleuren de bladeren rood. Ook de stengel kleurt vaak rood.

Robbertskruid2

De plant bloeit van april tot november. De roze (zeer zelden witte) bloemen hebben een doorsnee van 2 cm. De vijf kelkbladen zijn eirond tot langwerpig. De vijf kroonbladen zijn nauwelijks uitgerand. De bloemen zijn tweeslachtig en worden bestoven door onder meer bijen. Het stuifmeel en de helmhokjes hebben een paarse of oranje kleur. De plant heeft een voorkeur voor beschaduwde plaatsen; men kan hem dan ook vaak langs wandelpaden in loofbossen aantreffen.

Robbertskruid3

De vrucht zou gelijken op de snavel van een kraanvogel (geranos = kraanvogel). De stijlen blijven aan de zaden zitten en geven de vrucht zo een snavelachtige vorm. De vrucht is een splitvrucht en bevat vijf eenzadige deelvruchtjes. Bij uitdroging van de rijpe vrucht breekt de snavel open en worden de zaden in vijf richtingen geschoten, tot zes meter ver.

 Bron: Wikipedia

Het geslacht Streepzaad (Crepis) behoort tot composietenfamilie (Asteraceae) en omvat ongeveer 200 zowel eenjarige als vaste planten. De Nederlandse naam Streepzaad is afgeleid van de vele ribben op het zaad, dat eigenlijk een nootvruchtje is. De naam Crepis komt uit het Oudgrieks en betekent schoenzool, een verwijzing naar het blad.

Streepzaad4

Streepzaad-soorten zijn een waardplant voor de rupsen van sommige vlinders uit de orde Lepidoptera, zoals de tweekleurige uil.

Streepzaad3

Klein streepzaad (Crepis capillaris) is een plant uit de composietenfamilie (Asteraceae). De Nederlandse naam streepzaad is afgeleid van de vele ribben op het zaad dat eigenlijk een nootvruchtje is. De plant lijkt veel op groot streepzaad (Crepis biennis), maar de bloemhoofdjes van klein streepzaad zijn 1-1,5 cm breed en van groot streepzaad 2-3,5 cm. Ook heeft klein streepzaad tien ribben en groot streepzaad dertien tot twintig ribben op het nootvruchtje. De haren (pappus) staan direct op het vruchtje ingeplant, dit in tegenstelling tot paardenbloemstreepzaad (Crepis vesicaria subsp. taraxacifolia). Klein streepzaad komt algemeen voor.

Streepzaad

De plant kan 30-90 cm hoog worden en bloeit met gele bloemen van juni tot in november.

Streepzaad2

Bron: Wikipedia

Heksenkruid (Circaea) is een geslacht uit de teunisbloemfamilie (Onagraceae). Het geslacht is genoemd naar de tovenares Circe uit de Griekse mythologie. Haar tovenarij klinkt door in de Nederlandse geslachtsnaam, maar ook in het Engelse 'enchanter's nightshade' en in het Duitse 'Hexenkraut'. Het zijn bosplanten die over het gehele noordelijk halfrond voorkomen. Men vindt ze vooral op vochtige bosgronden. Vooral twee soorten zijn wijd verspreid, te weten het groot heksenkruid (Circaea lutetiana) en het alpenheksenkruid (Circaea alpina).

Heksenkruid
De steriele hybride tussen deze twee soorten, het klein heksenkruid (Circaea ×intermedia) plant zich alleen vegetatief voort, ze produceert geen zaden.
Alle drie de genoemde soorten komen in België en Nederland voor.
De planten in dit geslacht zijn de waardplant voor onder andere de walstropijlstaart (Hyles gallii) en de bladmineerders Mompha terminella en Mompha langiella.

Bron: Wikipedia